Friday, August 15, 2008

Een boompje



Het is augustus en er valt geen bal te beleven in mijn stad. Niet goed wetende wat aan te vangen met mijn avond, besluit ik hier heel kort even een boompje op te zetten over de five o'clock shadow van Freek Braekman, de nieuwslezer van de VRT. Die kerel is bekwaam hoor, maar hij mag zich wel eens scheren voor-ie het journaal presenteert. Noem me nu maar bekrompen, kleinburgerlijk en intolerant - het moest me gewoon even van het hart.

Wednesday, August 6, 2008

De man die zijn haar op at


En net wanneer je denkt 'nu is het wel helemaal afgelopen met dat gezeik op deze tamme blog', dan doet ie het toch weer! Ja hoor, ik lap het hem nog eens, ik geef nog eens van jetje, ik haal de koe nog eens van stal, ik geef er nog eens een lap op, ik laat me nog eens goed gaan, ik ga tot de actie over kijk niet achterom maar ook niet vooruit en doe gewoon wat ik moet doen, namelijk hier wat therapeutisch lullen.

een blinde ziet meer. dat wil ik 'efkes stelle'. de eerste blinde die ik tegenkom en die ik dit probeer wijs te maken geeft me een hengst voor m'n hersens, en gelijk heeft de arme man. wat is me dat toch voor een gezeik 'een blinde ziet meer'? een blinde ziet geen steek. geen bal, geen reet, geen zak, geen ruk. zo kan ik wel even doorgaan. vieze woorden, dat heb ik altijd leuk gevonden, en met mij vele vrienden. vetzakskes.

ze zijn wel ok hoor, die vrienden. vooral die mannen uit zwijnaarde zijn wat ze in een volks register al eens 'niet te schatten' noemen. ja hoor, met hen altijd een verrassing.

maar goed, ik ga door. mijn creatieve sappen druppen van mijn bureaustoel, op de grond, ik zal weer mogen dweilen straks. gelukkig doe ik dat graag.

ik laat je weer
ik ga wat nuttigers doen dan hier wat te reutelen
het was nochtans aangenaam
het deed deugd

denk eraan: het is niet omdat ik eruit zie als een blinde dat ik doof ben, ja maar..

En dat ie mag smaken


dag lieve vrienden

het is schandelijk lang geleden dat ik hier nog wat geschreven heb. ongetwijfeld heeft iedereen afgehaakt, dus waarom schrijf ik dit nog? but then again, heeft een auteur wel een publiek nodig? natuurlijk, en zeker ik met mijn lichte neigingen tot exhibitionisme. wat een gruwelijke zin. maar niemand leest dit, dus wat geef ik erom.

goed, ik ga kort wat vertellen, erg kort. ik ben afgestudeerd, een maand door italie gerezen (zeg je dit? natuurlijk niet)(gereisd uiteraard)(en dat is dan germanist)(mijn hol)(ja, ook mijn hol is germanist). een deense vriendin. een bottelaarse vriend en nog wat volk uit zwijnaarde. ja, dat zal het zowat zijn. tijd voor iets anders? goed goed. tot nooit meer stomme blog!

Saturday, May 17, 2008

Hey ho, let's go buffalo

Morgen is het zover lieve vrienden, dan wordt de finale van de Beker van België gespeeld waarin AA Gent de handschoen opneemt tegen RSC Anderlecht. Zoals zovelen zak ik morgen naar de Heizel af om er de match bij te wonen. Winst of verlies, het staat hoe dan ook vast dat het een magnifiek feest wordt. En eerlijk gezegd ben ik nu al, op zaterdagavond, nerveus. Goed, ik ga hier niet te veel woorden meer aan vuil maken maar stilaan mijn bed opzoeken, even tot God bidden en ongetwijfeld woelig dromen.


Hey ho
let's go
buffalo!


ps: ik tip op goals van Ruiz en Foley. Voor Anderlecht scoort Bous.


Thursday, May 1, 2008

Toujours sourire

In voorpublicatie: een stukje uit Dilemma over Hugo Claus.

Enkele woorden bij de dood van Hugo Claus en een korte bespreking van De Metsiers


Luttele dagen na het verschijnen van de vorige Dilemma is Hugo Claus overleden, waarna een ongeziene Clausmanie is losgebroken. De elvendertigste herdruk van Het verdriet van België verkoopt als zoete broodjes terwijl progressief Vlaanderen en gesettelde mei 68’ers elkaar voor de voeten lopen bij het claimen van deze literaire mastodont. Het spreekt voor zich dat ik de Claushype als getrouwe literatuurrecensent niet ongemerkt voorbij kan laten gaan. Tenslotte is dit de literatuurrubriek van hét germanistenblad bij uitstek, het Sancta Sanctorum van elke hoogopgeleide literatuurliefhebber. Als er al enkele kritische bedenkingen gemaakt mogen worden bij die hype, is het hier wel. Zet u in ieder geval maar schrap, want ik zal ongemeen pedant en elitair uit de hoek zal komen. Maar af en toe moet dat maar eens.


Hier ga ik dan. Meteen na de dood van Claus moest en zou iedereen die Het verdriet van België nog niet gelezen had dit boek bemachtigen nog voor de schrijver ervan koud was. Of zij dit meesterwerk ook zullen (uit)lezen is nog maar zeer de vraag. Leuke anekdote in dit verband: een oude vriendin die nog nooit een letter van Claus gelezen heeft, zat tijdens de Clausherdenking in de Antwerpse Bourla wel op de eerste rij. Mijn aangeboren onrechtvaardigheidsgevoel roert zich bij het zien en horen van zoveel onoprechte en onoordeelkundige bewondering. Wanneer je deze lui dan vraagt wat ze aan Claus’ werk zoal bewonderen, dan komen ze niet veel verder dan de dooddoener ‘de taal, de taal, zo meesterlijk’. Uiteraard was Claus’ taalbehandeling van een ongeziene schoonheid en droeg het bij aan de eigenheid van zijn werk. Maar Claus was zoveel meer. Zijn werk was enorm gelaagd, het aantal mogelijke lezingen van eenzelfde werk zijn bij wijze van spreken oneindig. Het reduceren van Claus’ werk tot ‘goede verhalen’ geschreven in een ‘knappe taal’ doet afbreuk aan dat oeuvre. Een oeuvre dat trouwens niet volmaakt was, wat vele oppervlakkige Clausdwepers ons nochtans willen doen geloven. Claus heeft ook enkele middelmatige boeken geschreven zoals Belladonna. Maar maakt hem dat een minder groot schrijver? Op een enkele uitzondering na is niemands oeuvre immers volmaakt. Van de doden niets dan goeds, dat begrijp ik wel. Maar zoals Bert Anciaux of Hilde van Mieghem hysterisch staan briesen dat alles wat Claus ooit aanraakte in goud veranderde, getuigt van een erg beperkte literatuurkennis en slechte smaak.


Zo, dat moest er even uit. Nu is het tijd voor wat mijn afscheid van Hugo Claus is. Het wordt trouwens eveneens mijn afscheid van Dilemma, want na jaren trouwe dienst verlaat ik de redactie aangezien ik naar alle waarschijnlijkheid in juli afstudeer. En bestaat er een mooiere manier om af te zwaaien dan met een (zij het korte) bespreking van Claus’ debuut, het geniale De Metsiers?


Claus schreef De Metsiers op zijn negentiende (u leest het goed) in opdracht van een bevriende uitgever die hem had gevraagd voor enkele honderden franken ‘een boekje naar Amerikaans model’ te schrijven. Claus nam de opdracht aan, schreef een boekje getiteld ‘De Eendenjacht’, zond het handschrift in voor de Leo Krijn-prijs, won die prijs, veranderde de titel van het boekje in ‘De Metsiers’ en was gelanceerd als schrijver.


De Metsiers is verteld vanuit een een meervoudig vertelperspectief (naar het voorbeeld van William Faulkners As I lay dying). Dit technisch procedé paste Claus trouwens meer dan veertig jaar later nog eens toe in De Geruchten. Maar hetzelfde niveau als bij De Metsiers evenaart hij niet meer. In De Geruchten spreekt een oude schrijver met veel metier, in De Metsiers een erg getalenteerde jongeling.


De Metsiers speelt zich af tijdens WO II en gaat over een wat zonderlinge Vlaamse familie: de Metsiers. Zij wonen afgezonderd van het dorp op hun erf en leiden er een besloten leven. Het boek is een psychologische roman, zoals dat heet, en dus staan de onderlinge verhoudingen tussen de verschillende personages centraal. Rond hen breit Claus een wreed maar schitterend verhaal. Subtiel wordt de spanning opgebouwd en de sfeer beklemmender. En hoewel je aan je kleine teen voelt dat er aan het eind nog een en ander te gebeuren staat, blaast dat einde je toch helemaal van je sokken. Uiteraard schreef Claus met De Metsiers niet alleen een magnifieke psychogolische roman, hij schetst ook een prachtig, impressionistisch beeld van la Flandre profonde – niet voor het laatst, zo zou blijken. Deze onvoorstelbaar knap vertelde eersteling kondigde een rijk en gevarieerd oeuvre aan. Een oeuvre waar we zonder twijfel nog vele jaren zullen van genieten, in Vlaanderen en ver daarbuiten.






Saturday, March 1, 2008

Come on Balls light my fire

weggeknipt uit GBoF-nieuwsbrief van zondag 2 maart:

Het is zaterdagavond 1 maart en ik haast me om de deadline voor deze bijdrage aan onze nieuwsbrief te respecteren. Indien de stijl wat haastig en de interpunctie niet altijd even consequent is, dan spijt me dat. Maar de klok dwingt me om het gaspedaal in te drukken. Morgen wil ik geen boze hoofdredacteur aan de telefoon hebben, dat begrijpt u wel.


Ik heb net naar een Lewis-aflevering gekeken. U moet weten dat ik, en met mij zovelen, een grote Morse-fan ben. En de nieuwe reeks kan ik ook wel smaken. Ik weet wel, het is Morse niet. Maar deze discussie wil ik niet voeren. Niet hier, niet nu en vooral niet met u. Wat ik eigenlijk wou zeggen, is dat ik ondertussen na Lewis achter de pc gekropen ben om deze tekst te schrijven en er wat muziek bij opgezet heb (Queen, of wat dacht u op zaterdagavond). Over het liedje dat nu op ligt wil ik het graag met u hebben. Niet alleen omdat het zo’n mooi liedje is (hier kan je het beluisteren: http://www.youtube.com/watch?v=vJpLV38i3FI, de live-versie [Japan ’79 – Freddie nog een jaar of twee zonder moustache] vindt u hier: http://www.youtube.com/watch?v=HG51FMWUyzs) maar vooral de lyrics zijn wat ik hier voor het gemak maar ‘inspirerend’ zal noemen.


Het liedje heet Teo Torriate en is deels in het Engels, deels in het Japans gezongen. Hier geef ik kort het refrein mee:


Let us cling together as the years go by
Oh my love, my love
In the quiet of the night
Let our candle always burn
Let us never lose the lessons we have learned


Of in het Japans:


Teo torriate konomama iko
Aisuruhito yo
Shizukana yoi ni
Hikario tomoshi
Itoshiki oshieo idaki


Het is een beetje klef, een beetje cheesy, maar zo gaat dat bij mooie liefdesliedjes (als u het ondertussen nog niet beluisterd heeft, scroll dan even naar boven en klik op die links). En nu vraagt u zich uiteraard af waarom ik op een zaterdagavond deze kleffe romantiek in een ‘aan het woord’ steek? Wel nu, omdat het lied even goed over onze geliefde ploeg als over een koppel kan gaan. We zijn nu aan ons derde seizoen bezig dat tussen haakjes gezegd op wieltjes verloopt. Iedereen kijkt alvast uit naar een vierde seizoen, stilaan worden we een vaste waarde in de kerncompetitie. Wat er ook van zij, The Balls hebben zowel spelers als supporters veel vreugde en liefde geschonken. GBoF is ons grote eeuwigdurend verbond, de levensverzekering van heel wat vriendschappen. A thing of beauty, een zaak om te koesteren. Het maakt niet uit hoe je het bekijkt: als warm vriendschapsnest, sportieve uitlaatklep, plaats om te netwerken of het aan te leggen met knappe vrouwelijke supporters – bij Great Balls of Fire kan het allemaal. Daarom dan ook mijn boodschap voor en liefdesverklaring aan wat Great Balls of Fire is: Let us cling together as the years go by, oh my love my love... We zien elkaar woensdag om 20u in Mariakerke voor de laatste grote topper van dit seizoen die waarschijnlijk beslissend zal zijn in de strijd om promotie naar een hogere reeks.


5





(Glória Maria, Braziliaans en eigenlijk al vrij oud. Maar in de jaren '70 en '80 een jonge journaliste, een vrolijke spring-in-'t-veld en vooral: sexy)






Friday, February 29, 2008

Literatuur

Mijn bijdrage voor de Dilemma (het Gentse germanistenblad) van de maand maart:


Leeftocht (Adriaan van Dis) – Het leven, niets dan het leven. Cyriel Buysse en zijn tijd (Joris van Parys).

Beste lezer, deze maal vindt u in mijn vaste rubriek niet één boekrecensie, maar twee. Een gedurfd concept is het niet, vorig jaar heb ik het ook al een keer of twee geprobeerd. Zonder bijval, maar ook zonder klachten. Maar ach, wat zou ik mij hierover zorgen maken? Dit is nu toch al een aantal jaar mijn kleine speelhoek. Zo lang ik maar geen Aspes recenseer mag ik mijn zin doen, aldus de heren scriptoren. In deze aflevering staan de volgende twee vuistdikke boeken centraal: de essaybundel Leeftocht van Adriaan van Dis en de biografie Het leven, niets dan het leven – Cyriel Buysse en zijn tijd, van de hand van Joris van Parys.


Laat ik beginnen met Leeftocht en de auteur van deze corpulente essaybundel. Adriaan van Dis is een coryfee van de Nederlandse literatuur, dat weet u wel. Het is een erg groot, welbespraakt en fijnzinnig man. Vorig jaar kwam hij bij de opening van de literaire lente, hier in Vooruit, een stukje uit zijn nieuwe roman, De Wandelaar, voorlezen. Hoewel ik dat boek niet gelezen had, en nog steeds niet heb, vond ik zijn lezing en het korte gesprekje met Friedl Lesage toch een van de hoogtepunten van de avond. Die man heeft wel iets te vertellen, dacht ik bij mezelf. Sindsdien waren Van Dis en ik elkaar wat uit het oog verloren. Enkele weken geleden dan zag ik tijdens het Leuvense Boekenfestijn voor ongeveer tien euro Van Dis’ Leeftocht liggen. Ik twijfelde niet en kocht deze vuistdikke bundeling van essays, columns en andere stukjes. Nog dezelfde avond op de trein naar Gent begon ik erin te lezen. Pas enkele weken later had ik het boek helemaal uit. Zo’n bundeling essays leest natuurlijk niet als een roman. Af en toe nam ik een pagina of vijftig tot mij, en dan liet ik het boek met de erg poppy cover voor een paar dagen links liggen. De stukjes die Van Dis aan de lezer presenteert, beslaan een periode van ongeveer veertig jaar. We leren Van Dis kennen als een ruimdenkend wereldreiziger, een atypische Hollander (gezien zijn achtergrond niet geheel onlogisch) en bovenal als een seismograaf. Het stukje over de prille aidshysterie in het New York van 1985 is een van de hoogtepunten van de bundel. Heel nuchter en raak beschrijft Van Dis hoe totaal geschift de Amerikanen reageren op deze nieuwe killer disease. Andere stukjes die mij dan weer erg konden boeien, waren die over Zuid-Afrika en in het bijzonder over de Afrikaanse literatuur. Zo neemt Van Dis ook een interview met Breyten Breytenbach in de bundel op. Niet onlogisch, want Van Dis heeft een voorliefde voor Zuid-Afrika en het Afrikaans dat hij als overspelig Nederlands, een kleurtaal aan Calvijn en klei ontstegen betitelt.




Tijd voor Buysse dan. Net zoals Leeftocht verscheen de knoert van een Buysse-biografie in het najaar van 2007. Bij mijn weten is het pas de eerste Buysse-biografie die naam waardig. Iedereen weet uiteraard dat de vrijzinnige Buysse, samen met de katholieke prins der Nederlandse letteren Stijn Streuvels, Vlaanderens grootste naturalist was. Maar verder rijkt de kennis van de doorsnee Vlaming over deze geboren Nevelaar niet. Daarom alleen al is deze uitmuntende biografie een godsgeschenk.


Buysse heeft niet alleen een hoop boeken geschreven, hij heeft ook een boeiend en rijk leven gehad: veel gereisd (naar Amerika, maar ook met de auto door Europa – allebei erg uitzonderlijk gezien het tijdskader), hier en daar een boerenmeid bezwangerd, uiteindelijk getrouwd en sindsdien tussen het rustieke Leiedorp Deurle en het burgerlijke Den Haag pendelend, genietend van the best of both worlds. Buysse leefde op het breukvlak van de 19e en 20e eeuw, een interessante periode op verschillende vlakken. Voor Buysse was het de tijd van zijn grote romans, van Van Nu en Straks (met Gust Vermeylen aan het roer) en ook de tijd van de lange en intense vriendschappen met Maurice Maeterlinck en Emile Claus.


Wat maakt dit boek zo knap? Heel eenvoudig: Van Parys slaagt erin de geschiedenis te doen herleven. De biografie leest als een mooi verhaal en niet als een droge kroniek van wat Buysse zoal verricht heeft in zijn leven. Veel heeft natuurlijk te maken met Buysses levensloop die, om het met Keunen te zeggen, een voldoende afwisseling vertoont van evenwichts- en conflictchronotopen om er een interessant werk over te schrijven. En dat heeft Van Parys gelukkig gedaan zodat Buysse eindelijk de biografie heeft die hij verdient.